planten

Men graaft een flink plantgat dat groter is dan de kluit van de plant die er in komt te staan.
Alle planten moeten even diep komen te staan als op de kwekerij het geval was. Meestal is dit aan de wortelhals goed te zien. In overeenstemming hiermee bepaalt men de diepte van het plantgat. Daarna met één hand de plant in de juiste stand houden en met de andere aarde bijvullen. Tegelijkertijd beweegt men de plant op en neer, zodat het grondmengsel goed tussen de wortels wordt verdeeld.
Gooi alle uitgegraven grond weer terug in het plantgat. Water geven is alleen maar nodig als de grond droog is.

In het plantgat mag geen mest toegevoegd worden, eventueel mag bovenop de grond wat compost aangebracht worden.

Windvangende bomen krijgen een stevige boompaal, die tegelijk met de plant de grond ingaat om beschadiging van de wortels te voorkomen.

Planten